In de Overtuin


Achtergrondinformatie
bij klassieke kinderliedjes:


beschrijving en uitleg van
gebaren, spelletjes en dansjes

- scroll langs het alfabet naar beneden -








Een twee kopje thee

Kaatseballen: met twee ballen tegen de muur.

Tijdens het zingen worden de twee ballen beurtelings onderhands tegen de muur gegooid en weer opgevangen; in totaal vier keer per regel. Bijv. r.1: op 'Een': eerste bal tegen de muur; op 'twee' tweede bal tegen de muur; op 'kopje' de eerste bal opnieuw tegen de muur; en op 'thee' de tweede bal opnieuw tegen de muur.

Na de eerste zin wordt er geteld (niet gezongen, maar gezegd). Je blijft in hetzelfde ritme doorkaatsen, dus op 'een' de eerste bal en op 'twee' de tweede bal. Nu maak je echter tussendoor (dus na de 'een' en na de 'twee') een drinkende beweging met je rechterhand bij je mond.

Tijdens de tweede gezongen regel gooi je opnieuw vier keer een bal tegen de muur. Na deze regel tel je tot vier (terwijl je vier keer kaatst) en maak je tussendoor vier keer een drinkende beweging met je rechterhand bij je mond. Het is de kunst om met het kaatsen in het ritme te blijven.

Tijdens de derde gezongen regel gooi je opnieuw vier keer een bal tegen de muur. Na de regel tel je tot zes (terwijl je zes keer kaatst) en tussendoor stamp je zes keer met je voet op de grond.

Tijdens de vierde gezongen regel gooi je weer vier keer een bal tegen de muur. Na de regel tel je tot acht (terwijl je blijft doorkaatsen, acht keer) en maak je tussendoor acht keer een saluerende beweging.

Tijdens de vijfde gezongen regel kaats je weer vier keer een bal tegen de muur. Daarna tel je tot tien, waarbij je tussendoor tien keer je hand voor je ogen doet.

Tijdens de laatste gezongen regel kaats je opnieuw vier keer een bal tegen de muur. Daarna tel je "bim bam een, bim bam twee, enz. t/m bim bam twaalf" en ondertussen gooi je de bal per tel die je noemt: omhoog, tegen de muur en over de kop (overhands tegen de muur aan). Dit herhaal je dus 12 keer.

toelichting:
onderhands gooien: je arm is naar beneden als je gooit
bovenhands gooien: je arm is naar boven als je gooit





Er was een oorlogsschip

Leugenliedje.

Gebruik bij dit liedje: pandverbeuren. Iedereen levert een persoonlijk voorwerp in (een ring, horloge, sok, oid). De voorwerpen worden onder een theedoek gelegd.

Na het zingen van het eerste couplet wordt er één voorwerp onder de doek vandaan gepakt. De eigenaar van dat voorwerp moet nu een tekst verzinnen (hij verzint de eerste zin; de hele groep zingt hem na; hij verzint r3 en 4; de groep zingt het na). De inhoud moet echter een leugen zijn.

Als hij een goede leugen heeft bedacht die goed te zingen is in het liedje, dan krijgt hij zijn persoonlijke voorwerp terug. Hij pakt nu een voorwerp onder de theedoek vandaan en het spel kan opnieuw beginnen. Het wordt herhaald tot iedereen zijn voorwerp terug heeft.





Hinkel de pinkel, daar komen wij aan

Hinkelliedje voor jonge kinderen (kleuters).

De kinderen hinkelen door de kamer of in de tuin. Halverwege het liedje keren zij om en hinkelen terug.

Op elke beklemtoonde lettergreep, springen de kinderen op één been een pasje naar voren. Het liedje wordt rustig gezongen, zodat de kinderen niet te snel hoeven springen.

Het liedje is bedoeld voor jonge kinderen die net leren hinkelen. Om het iets moeilijker te maken, kunnen de kinderen hun handen op hun rug houden.





Ik ga naar de markt en koop een koe

Klapspelletje.

Dit rijmpje wordt opgezegd door twee kinderen. Ondertussen slaan zij op de maat van het versje op elkaars hand. Het ene kind steekt zijn hand uit en het andere slaat erop. Daarna steekt het tweede kind zijn hand uit en slaat het eerste erop. Enz.

De klap valt op elke beklemtoonde lettergreep, dus op: 'ga', 'markt', 'koop', 'koe', enz.

Met het klapspelletje worden oude gebruiken van de markt geïmiteerd, waar boeren de koop van bijv. een koe met een klap op elkaars hand bezegelden.

Commentaar: Voorafgaand aan de eerste regel kan een extra regel worden opgezegd: "Handje plak en een plakje toe".





'k Moet dwalen, 'k moet dwalen

Kringdansje.

De kinderen staan hand in hand in een kring en lopen rond. Eén van de kinderen staat in de kring en loopt in tegengestelde richting. Op "Daar kwam een kleine springer" kiest het kind een tweede kind. Deze beeldt de bewegingen uit: zwaaien met zijn hoed, stampen met zijn voet. Op "Kom laten wij" dansen zij samen rond. Op "staan" stapt het eerste kind in de buitenste kring en begint het liedje overnieuw.





Zo helder en zo schoon

Touwtjespringen.

Het kind draait het touw zelf.

r1: het kind springt op elke lettergreep over het touw.

r1-3: het tweede woord 'zo' wordt langer aangehouden. Je zet hierop harder af om hoger te kunnen springen. Op 'schoon' draai je het touw twee keer onder je voeten door. Dit houd je vol tot en met 'vaderland' (r3): je draait dus op elke beklemtoonde lettergreep het touw twee keer onder je voeten door.

r4-5: op elke beklemtoonde lettergreep springt het kind nu weer gewoon één keer over het touw. Het woord 'wit' wordt langer aangehouden. Je zet hierop harder af om hoger te kunnen springen. Op 'blauw' draai je het touw weer twee keer onder je voeten door. Dit houd je het hele liedje verder vol.

r6-7: Op de beklemtoonde lettergrepen draai je het touw twee maal onder je voeten door.





Voor een overzicht van liedjes met gebaren, spelletjes of dansjes,
zie onder de zoekfunctie:
Zoek kinderliedjes op thema












Sluit dit venster om terug te gaan naar de pagina met liedjes.

Ben je rechtstreeks op deze pagina gekomen?
Klik dan hieronder om te gaan naar de
kinderliedjes uit grootmoeders tijd.





Home           Zoek           Links           Colofon